Oervormen, dacht ik dat Maria van Kesteren ergens had gebruikt, de term ‘oervormen’ bij het toelichten van haar werk, maar terugbladerend kan ik het nergens vinden. ‘Alle vormen, die ik tot uitdrukking brengen wil,’ zegt Maria van Kesteren, ‘gaan uit van de circel en voeren terug tot de circel. Een houtdraaier ontkomt niet aan deze vorm.’ *

Tot nu toe had ik bij het maken van keramiek eigenlijk te weinig houvast. Zoals je, bij het je uitdrukken in taal, gebruik maakt van woorden en zinnen om een verhaal te maken, zo wil je je ook in klei uitdrukken, maar ik miste een logische onderliggende structuur waardoor er onsamenhangend en rommelig  werk ontstond. Alsof wilde iets ik zeggen en vaag je was wist dat er samenhang, maar dat je er neit ehct de vegnir op kon lgegen wat er kltope en waar het prceeis mis gnig.

Totdat ik over de strengheid van Geert Lap en Maria van Kesteren las en vooral die term ‘oervormen’ bleef hangen. Wat waren de grondvormen van de pottenbakker? Al schetsend en zoekend op de draaischijf bleek dat dat de cilinder, de kegel en de bol waren en alle fragmenten, stapelingen en omkeringen die daarmee samenhangen. Dat is de taal van de pottenbakker: alle mogelijke variaties op en combinaties met de cilinder, de kegel en de bol.

Die term ‘variaties’ riep meteen de 99 variaties van Geert Lap in herinnering. Hoe was dat werk eigenlijk ontstaan? Lap probeerde (volgens de catalogus Geert Lap. 99 Variaties uit 1993) binnen de beperkingen van de draaischijf, een zo gevarieerd mogelijke vormentaal te ontwikkelen. ‘Bij het ontwikkelen van zijn vormen gaat Geert Lap, als met alles, systematisch te werk’, aldus de catalogus. ‘De contour van een bepaalde vorm kan een tegenvorm oproepen. Verder stelt [Lap]: een goede vorm is bijna altijd omkeerbaar. Wanneer er in één object twee vormen gecombineerd worden, kwam het in zijn vroegere werk wel eens voor dat bijvoorbeeld een cilinder een bolle vorm ontmoette. De hieruit ontstane combinaties bevallen hem echter niet meer. Zijn principe is nu: een gebogen lijn ontmoet een gebogen lijn, een rechte lijn een andere rechte lijn. Een conus wordt wel gecombineerd met een cilinder, maar niet met een bolle vorm. […] Zijn denken over vormen heeft zich nu zo ver ontwikkeld’, vat de catalogus samen, ‘dat hij het eenmaal allemaal op een rij wilde zien. Het werk ’99 variaties’ is een ‘tour de force’ van Geert Lap waarbij hij zijn huidige vorm-vocabulaire in klein formaat toont.’ **

Van Kesteren noemt dus de cirkel als belangrijkste geometrische uitgangspunt. Lap lijkt te denken in lijnen en contouren. Het lijkt mij dat een combinatie van beide het fundament van de vormtaal van de pottenbakker vormt, met cirkels van verschillend formaat in het horizontale vlak en als contouren daar vertikaal op, rechte dan wel kromme lijnen, of beter nog: rechte, holle of bolle vlakken waardoor er een omsloten ruimte ontstaat. Logisch, maar toch verhelderend om het zo expliciet onder woorden te brengen.

* In: Om de vorm. Leven en werk van Maria van Kesteren, Marije Verbeeck. Oosterhout 2012, blz. 11.

** In: Geert Lap. 99 variaties/99 variations, Allaard Hidding. Leeuwarden, 1993, blz. 11