Doos (1970, hout), van houtdraaier Maria van Kesteren in de tentoonstelling Maria van Kesteren, Gemeentemuseum Den Haag, 12 november 2016 – 26 maart 2017

‘Een vorm’, zegt Maria van Kesteren, ‘moet vanuit een bepaalde logica ontstaan. Niet spontaan, niet vanuit het toeval. Een object dat trefzeker gemaakt is, oogt vanzelfsprekend en heeft bestaansrecht.

Techniek is voor mij compleet ondergeschikt aan de vorm. Het gaat mij ook niet om esthetische overwegingen. Het gaat mij om de ruimte in de ruimte, om het beeld dat het oplevert. Gaan tot het extreme, dát is de uitdaging die ik zoek in mijn werk en in het werk van anderen. [..]

Mijn werk bestaat uit ingehouden, onnadrukkelijke vormen, met een neutraal en effen oppervlak. Ik houd van contrasten, schaduwen en van strakke lijken, die ik nooit hard en scherp laat worden. Wat weggelaten kan worden, laat ik weg, ik probeer de vorm terug te brengen naar wat voor mij nog spanning heeft. Verder sublimeren kan ik niet, mijn werk is teruggebracht tot een minimum. Het is tijdloos, denk ik, maar dat zal de tijd moeten uitmaken.

Als het om de beoordeling van kunst gaat, zijn termen als: knap gemaakt, mooi en oorspronkelijk wat mij betreft dus onbruikbaar. De term ‘spanning’ prikkelt veel meer. Je kunt spanning niet met opzet maken, het is er, of niet. Het is niet uit te leggen wat het is, of waar het uit bestaat, maar het effect is dat je langer, vaker en beter moet kijken.’

In: Om de vorm. Leven en werk van Maria van Kesteren, Marije Verbeeck. Oosterhout, 2012, blz. 13-14